zaterdag 9 april 2016

Eindopdracht

In de laatste les beeldende vorming stond de eindopdracht centraal. De eindopdracht was het ontwerpen van een les beeldende vorming op basis van de verschillende onderdelen in het lesfasenmodel.

Samen met een klasgenoot heb ik een les beeldende vorming ontworpen aan de hand van het lesfasenmodel. Wij hebben gekozen voor een bestaande les beeldende vorming, die niet voldeed aan het de eisen van het lesfasenmodel. Wij hebben deze bestaande les zodanig aangepast dat je kunt spreken van een les beeldende vorming. Deze les is gemaakt voor de kleuterklas. De les voer je uit tijdens een werk les. Dit betekent dat de les niet klassikaal, maar per groepje leerlingen wordt aangeboden.

Lesfasenmodel
"Het gevoel van fruit"

Voorbereiding
De leerlingen uit de kleuterklas hebben tot dusver de wereld om zich heen vooral ontdekt door zelf te ervaren. Leerlingen uit de kleuterklas halen een groot leerrendement uit het zelf ontdekken. Tevens zorgt het zelf ontdekken en ervaren van nieuwe dingen voor motivatie bij de leerlingen. Tijdens deze opdracht staat het zelf ontdekken en ervaren opnieuw centraal. De opdracht van deze les beeldende vorming is:

Schilder een fruitschaal waarbij je aan het verf kunt zien hoe het fruit voelt. Dit verf maak je zelf met etenswaren.


Beeldend doel = Schilder een fruitschaal waarbij je aan het verf kunt zien hoe het fruit voelt.

Technisch doel = Maak verf met etenswaren die leiden tot verschillende structuren.

Receptie

Benodigdheden:
Doos
Ananas
Kiwi
Appel
Perzik
Peer
Aardbei
Gecondenseerde melk
Rozemarijn naaldjes
Kerriepoeder
Ketchup
Stofjes
Zand
Sesamzaadjes
Water
Bakjes
Schaaltje    


Plaats op de tafel een dichte doos met verschillende fruitsoorten erin. Aan de zijkant van de doos bevinden zich twee gaten, waardoor de leerlingen met hun handen naar binnen kunnen. Laat de leerlingen om de beurt voelen aan de fruitsoorten en laat de leerlingen vooral beschrijven wat zij voelen. Vervolgens bedenken de leerlingen wat zij voelen. Nadat alle leerlingen de voorwerpen in de doos hebben gevoelt, hebben beschreven en hebben geraden haal je de fruitsoorten uit de doos. Je laat de leerlingen opnieuw voelen aan de fruitsoorten. Ditmaal kunnen de leerlingen ook zien wat zij voelen. Benoem samen met de leerlingen wat zij zojuist hebben gevoelt.

Kies bij deze opdracht voor fruitsoorten met een uitgesproken, voelbare buitenkant. Op deze wijze kunnen de leerlingen daadwerkelijk verschillende structuren voelen. Tijdens deze opdracht hebben wij gekozen voor de volgende fruitsoorten:
- Ananas
- Kiwi
- Appel
- Perzik
- Peer
- Aardbei

Tijdens de receptieve fase wordt de beeldcultuur gevormd door het aanbieden van echte voorwerpen. Na het aanbrengen van de beeldcultuur vindt er beeldbeschouwing plaats, samen met de leerlingen. Als leerkracht stel je aan de leerlingen beeld beschouwende vragen. Hierbij maak je gebruik van de vijf type vragen. Wij hebben de volgende vragen opgesteld bij de beeldschouwing:
1. Startvraag: Welke fruitsoorten kennen we al?
2. Onderzoeksvraag: Wat voel je?
3. Analyse vraag: Wat is het?
4. Speculatieve vraag: Hoe gaan we het gevoel van het fruit uitbeelden in verf?
Laat de leerlingen de producten zien die je hebt meegebracht om het verf van te maken en bespreek met de leerlingen hoe je hier verf mee kunt maken.
5. Vragen die leiden tot oordeel: Welke producten kunnen we met elkaar mengen?

Vervolgens leg je de leerlingen de eerdergenoemde opdracht uit. Je wijst de leerlingen erop dat het niet om de kleur van het fruit gaat, maar om het gevoel.

Productie
De leerlingen maken het verf met de meegebrachte producten. Dit werkproces is experimenteren. De leerlingen ontdekken zelf wat zij met elkaar kunnen vermengen om zo dichtmogelijk bij het gevoel van het fruit in de buurt te komen. Je geeft vervolgens alle leerlingen de zes fruitsoorten en een schaaltje. De leerlingen moeten deze zes fruitsoorten op het schaaltje neerleggen, zoals zij dit zelf willen. Vervolgens schilderen de leerlingen dit schaaltje met fruit na. De leerlingen moeten hierbij zorgen voor een ordening op het blad. Door alle leerlingen een eigen schaal met fruit te geven zorg je ervoor dat iedere uitvoering van de opdracht uniek is.

Tijdens deze productiefase beleid je als leerkracht de leerlingen. Je kunt de leerlingen bij een aantal onderdelen begeleiden:
- Je laat de leerlingen tijdens het maken van het verf goed voelen aan het fruit.
- Je wijst de leerlingen erop dat zij hun verf kunnen testen op een leeg blad.
- Je begeleid de leerlingen in het doseren van het water, zodra zij producten met water mengen.
- Je laat de leerlingen verven met één soort kwast, zodat de focus op de structuur van het verf komt te liggen.
- Je wijst de leerlingen erop dat zij hun kwast goed moeten afwegen aan de rand van het bakje, zodat het niet te waterig wordt.

Deze opdracht vergt de nodige tijd en begeleiding. Voor deze opdracht moet een uur worden uitgetrokken.

Reflectie
Tijdens de reflectieve fase wordt het werk van de leerlingen nabesproken. Er wordt gekeken naar de verschillen en de overeenkomsten in het werk. De leerlingen kunnen vertellen welke producten zij met elkaar hebben vermengd en waarom zij hebben gekozen voor een bepaalde verf bij een bepaalde fruitsoort.
Om de opdracht te beoordelen kan gebruik worden gemaakt van onderstaande beoordelingsmatrix.

Beoordelingsmatrix

 
Niet aanwezig (0 pt)
Twijfel (1 pt)
Duidelijk aanwezig (2 pt)
6 soorten verf met verschillende structuur
 
 
 
De structuur van het verf past bij de structuur van het fruit
 
 
 
Het schilderij is één geheel
 
 
 
Alle 6 de fruitsoorten zijn afgebeeld
 
 
 

De leerlingen gaan tijdens deze opdracht vooral zelf aan de slag met experimenteren. Als leidraad hebben wij bij elk fruitsoort een verfstructuur bedacht. Het kan natuurlijk voorkomen dat leerlingen een ander soort verf maken, die ook aan het gevoel van het fruit voldoet:
- Ananas = gecondenseerde melk + rozemarijn naaldjes
- Kiwi = kerriepoeder + water
- Appel = ketchup + water
- Perzik = gecondenseerde melk + stofjes
- Peer = gecondenseerde melk + zand
- Aardbei = gecondenseerde melk + sesamzaadjes

woensdag 6 april 2016

Les 8: Beeldend vermogen

In de achtste les beeldende vorming stond het beeldend vermogen van kinderen en de verschillende fasen die hierbij worden doorlopen centraal.

Beeldend vermogen
Het beeldend vermogen is het vermogen om jezelf uit te kunnen drukken met beelden. Dit verloopt officieel volgens vier fasen. Tijdens onze les beeldende vorming hebben wij aandacht besteed aan de eerste drie fasen:
1. Krabbelen
2. Gecodeerde werkelijkheid
3. Zichtbare werkelijkheid

Tijdens deze les hebben we in groepjes het beeldend vermogen van leerlingen uit het basisonderwijs bekeken.

Tekening 1:
Groep 1 - 4 jaar - Meisje
Fase = 1 - 2a: Het kind maakt gebruik van veel kleurgebruik. Dit kleurgebruik is echter niet bewust, wat verwijst naar fase 1. Het kind heeft de vormen willekeurig op het vlak geplaatst (interpretatie; de zon staat onder de regenboog). Het kind heeft ook duidelijk gecodeerd. Dit kun je terug zien aan de ronde zon, met een gezichtje erin, en de zonnestralen die als strepen zijn getekend. Een kind van deze leeftijd hoort zich te bevinden in deze fase.

Tekening 2:
Groep 2 - 5 jaar - Meisje
Fase = 2a - 2b: Het kind heeft een kop-buik-poter getekend, wat verwijst naar fase 2a. Daarnaast heeft het kind een ordening in de tekening aangebracht door een bovenkant en een onderkant te tekenen. De bovenkant is de blauwe lucht en de onderkant is het groene gras. Hierbij heeft het kind gebruik gemaakt van schematisch kleurgebruik. Dit verwijst naar fase 2b. Aan de voeten is te zien dat het kind ook gebruik gemaakt van omklapping, wat verwijst naar fase 2 in zijn geheel. Een kind van deze leeftijd hoort zich te bevinden in deze fase. Het kind ontwikkeld zich van fase 2a naar fase 2b.

Tekening 3:
Groep 3 - 6 jaar - Jongen
Fase = 2a - 2b: Het kind heeft een ordening gemaakt door gras aan de onderkant te tekenen en de zon hoog boven in het vlak. Het kind heeft het poppetje getekend middel een kop-buik-poter. Het kind heeft hierbij gebruik gemaakt van schematisch kleurgebruik; het lichaam is roze, het gras groen en de zon oranje. Een kind van deze leeftijd hoort zich te bevinden in deze fase. Het kind ontwikkeld zich van fase 2a naar fase 2b.

Tekening 4:
Groep 3 - 6 jaar - Jongen
Fase = 2a: Het kind tekent alleen waarin het geïnteresseerd is; bewegende dingen, zoals het mens en de hond. Het kind heeft geprobeerd om een ordening te maken aan de bovenkant met de blauwe lucht. Echter ontbreekt de onderkant. Daarnaast heeft het kind niet de werkelijkheid getekend. Zo heeft de boom handen, voeten en een gezicht. Een kind van deze leeftijd hoort zich eigenlijk verder ontwikkeld te hebben dan enkel fase 2a. Het kind zou zeker aspecten uit fase 2b moeten gebruiken.

Tekening 5:
Groep 6 - 9 jaar - Meisje
Fase = 2b: Het kind heeft gebruik gemaakt van schematisch kleurgebruik; groen gras, gele zon en blauwe wolken. De tekening is niet natuurgetrouw, zo mist er bijvoorbeeld schaduw. Ook heeft dit kind gebruik gemaakt van coderen. De zon, de wolken en de gras zijn gecodeerd weergegeven. In deze tekening wordt echter geen gebruik meer gemaakt van krassen. Een kind van deze leeftijd hoort zich te bevinden in fase 2a. Echter is het van belang dat het kind voldoende gestimuleerd en uitgedaagd wordt om zich te ontwikkelen. Het kind moet namelijk overgaan naar fase 3. Op dit moment zijn er nog geen aspecten van fase 3 terug te zien in het beeldend vermogen van dit kind.

Beeldaspecten
Na het beoordelen van het beeldend vermogen van de kinderen hebben wij in de tekeningen gezocht naar beeldaspecten. Hieronder hebben wij tags aangebracht in de tekeningen met het bijbehorende beeldaspect.



Lijnen
Krabbels
Gesloten (cirkel)vorm
Wanordelijke plaatsing




Eerste ordening
Grondlijn
Schemakleur(en)
Functionele kleuren
Haaks contrast
Kop(buik)poter
Omklapping
Objectkleur(en)
Wanordelijke plaatsing



Samengestelde vorm
Lijnen
Functionele kleuren
Gesloten (cirkel)vorm
Kop(buik)poter
Schemakleur(en)
Eerste ordening
Grondlijn



Eerste ordening
Gesloten (cirkel)vorm
Schemakleur(en)
Kop(buik)poter
Haaks contrast
Objectkleur(en)
Omklapping
Schemakleur(en)
Centraal compositie
Samengestelde vorm
Eerste ordening
Gesloten (cirkel)vorm
Grondlijn






Beeldende opdracht
Als afsluiting van deze les hebben wij de opdracht gekregen om bij één tekening een beeldende opdracht te bedenken. Deze beeldende opdracht moet aansluiten op het beeldend vermogen van het kind. Wij hebben gekozen voor tekening 5 (de tekening met de bloem). We hebben bij de beeldende opdracht gekozen voor de beeldaspecten; grootteverschil, horizon, ruimte en compositie

Beeldende opdracht: "Teken een bloemenveld waarin ik kan zien welke bloemen ver weg staan en welke dichtbij".