woensdag 30 maart 2016

Les 6: Ontwikkelingsfasen & beeldbeschouwing

In de zesde les beeldende vorming stonden de vijf ontwikkelingsfasen uit de theorie van Parsons en de vijf typen vragen om een beeld te beschouwen centraal.

Parsons
De vijf ontwikkelingsfasen van beeldbeschouwing komen voort uit de theorie van Parsons. Volgens Parsons hangt de manier waarop je een beeld beschouwd samen met je intellectualiteit. Je doorloopt alle ontwikkelingsfasen in volgorde:

Fase 1 = Favoritisme: De beschouwer vindt het beeld mooi of leuk, omdat het aansluit bij de belevingswereld.
Fase 2a = Ambachtelijk: De beschouwer kan zijn aandacht langer bij het beeld houden en herkent hoofdkenmerken in het beeld. Zolang er herkenning is, wordt abstracte kunst leuk gevonden.
Fase 2b = Ambachtelijk: De beschouwer kan meer herkennen dan de basisvormen. De beschouwer kijkt in deze fase ook naar details. Zolang het beeld natuurgetrouw is, wordt het leuk gevonden.
Fase 3 = Expressiviteit: De beschouwer accepteert dat het beeld niet meer volledig natuurgetrouw is. De beschouwer kan zich inleven in het beeld en begrijpt dat iedereen een andere betekenis aan het beeld kan geven.
Fase 4 = Formalisme: De beschouwer is gericht op de stijl van het beeld, de beeldaspecten. De beschouwer kan een esthetische ervaring hebben.
Fase 5 = Open mind: De beschouwer beseft dat de betekenis van het beeld afhangt van de context.

Beeldbeschouwing
We kregen tijdens deze les de opdracht om in tweetallen een beeld uit een bepaalde beeldcultuur te kiezen. Vervolgens hebben wij door middel van tags vragen aan het beeld gekoppeld. Hierbij hebben wij gebruik gemaakt alle vijf de type vragen: startvraag, onderzoeksvragen, analysevragen, speculatieve vragen en vragen die leiden tot een oordeel. Door middel van deze vragen kun je een beeld beschouwen.

Wij hebben gekozen voor een beeld dat past bij kinderen met de leeftijd van 5 á 6 jaar oud. Dit beeld valt binnen ontwikkelingsfasen 2a en 2b; zolang er herkenning is en het beeld natuurgetrouw is, is kunst leuk.
Het beeld geeft een circus weer. Op het beeld zijn verschillende aspecten van een circus te zien. Dit zorgt ervoor dat kinderen veel herkenbare aspecten in het beeld kunnen vinden.



Beeldbeschouwingsvragen
Via deze link vind je het beeld met de tags waarin de vragen staan beschreven: https://www.thinglink.com/scene/767087013848416257

Nummer 1 = Startvraag
Nummer 2 = Startvraag
Nummer 3 = Onderzoeksvraag
Nummer 4 = Analyse vraag
Nummer 5 = Analyse vraag
Nummer 8 = Analyse vraag
Nummer 9 = Analyse vraag
Nummer 6 = Speculatieve vraag
Nummer 7 = Vraag die leidt tot oordeel

Zoals je kunt zien loopt de nummering niet geheel synchroon. Dit komt doordat wij onze tags naar aanleiding van feedback hebben uitgebreid.

Verwachte antwoorden
Hieronder kun je lezen welke antwoorden wij van de leerlingen verwachten op de beeldbeschouwingsvragen.

1a.
1b.
1c.
Een olifant
Ja
In een dierentuin / In een circus
2a.
2b.
2c.
Apen
Ja
In een dierentuin / In een circus
3.
Er staan allemaal hoge gebouwen
Er is een autoweg
4.
Hij wil een dier (slang) uit de mand laten komen
5.
Hij heeft een rode neus
Hij fietst op één wiel
8.
Anders kan iedereen zomaar naar binnen
9.
Een ballon / een handje
6.
Alle dieren ontsnappen
Iedereen kan het circus in
De dieren maken de stad vies
7.
In het circus





Geen opmerkingen:

Een reactie posten