zaterdag 9 april 2016

Eindopdracht

In de laatste les beeldende vorming stond de eindopdracht centraal. De eindopdracht was het ontwerpen van een les beeldende vorming op basis van de verschillende onderdelen in het lesfasenmodel.

Samen met een klasgenoot heb ik een les beeldende vorming ontworpen aan de hand van het lesfasenmodel. Wij hebben gekozen voor een bestaande les beeldende vorming, die niet voldeed aan het de eisen van het lesfasenmodel. Wij hebben deze bestaande les zodanig aangepast dat je kunt spreken van een les beeldende vorming. Deze les is gemaakt voor de kleuterklas. De les voer je uit tijdens een werk les. Dit betekent dat de les niet klassikaal, maar per groepje leerlingen wordt aangeboden.

Lesfasenmodel
"Het gevoel van fruit"

Voorbereiding
De leerlingen uit de kleuterklas hebben tot dusver de wereld om zich heen vooral ontdekt door zelf te ervaren. Leerlingen uit de kleuterklas halen een groot leerrendement uit het zelf ontdekken. Tevens zorgt het zelf ontdekken en ervaren van nieuwe dingen voor motivatie bij de leerlingen. Tijdens deze opdracht staat het zelf ontdekken en ervaren opnieuw centraal. De opdracht van deze les beeldende vorming is:

Schilder een fruitschaal waarbij je aan het verf kunt zien hoe het fruit voelt. Dit verf maak je zelf met etenswaren.


Beeldend doel = Schilder een fruitschaal waarbij je aan het verf kunt zien hoe het fruit voelt.

Technisch doel = Maak verf met etenswaren die leiden tot verschillende structuren.

Receptie

Benodigdheden:
Doos
Ananas
Kiwi
Appel
Perzik
Peer
Aardbei
Gecondenseerde melk
Rozemarijn naaldjes
Kerriepoeder
Ketchup
Stofjes
Zand
Sesamzaadjes
Water
Bakjes
Schaaltje    


Plaats op de tafel een dichte doos met verschillende fruitsoorten erin. Aan de zijkant van de doos bevinden zich twee gaten, waardoor de leerlingen met hun handen naar binnen kunnen. Laat de leerlingen om de beurt voelen aan de fruitsoorten en laat de leerlingen vooral beschrijven wat zij voelen. Vervolgens bedenken de leerlingen wat zij voelen. Nadat alle leerlingen de voorwerpen in de doos hebben gevoelt, hebben beschreven en hebben geraden haal je de fruitsoorten uit de doos. Je laat de leerlingen opnieuw voelen aan de fruitsoorten. Ditmaal kunnen de leerlingen ook zien wat zij voelen. Benoem samen met de leerlingen wat zij zojuist hebben gevoelt.

Kies bij deze opdracht voor fruitsoorten met een uitgesproken, voelbare buitenkant. Op deze wijze kunnen de leerlingen daadwerkelijk verschillende structuren voelen. Tijdens deze opdracht hebben wij gekozen voor de volgende fruitsoorten:
- Ananas
- Kiwi
- Appel
- Perzik
- Peer
- Aardbei

Tijdens de receptieve fase wordt de beeldcultuur gevormd door het aanbieden van echte voorwerpen. Na het aanbrengen van de beeldcultuur vindt er beeldbeschouwing plaats, samen met de leerlingen. Als leerkracht stel je aan de leerlingen beeld beschouwende vragen. Hierbij maak je gebruik van de vijf type vragen. Wij hebben de volgende vragen opgesteld bij de beeldschouwing:
1. Startvraag: Welke fruitsoorten kennen we al?
2. Onderzoeksvraag: Wat voel je?
3. Analyse vraag: Wat is het?
4. Speculatieve vraag: Hoe gaan we het gevoel van het fruit uitbeelden in verf?
Laat de leerlingen de producten zien die je hebt meegebracht om het verf van te maken en bespreek met de leerlingen hoe je hier verf mee kunt maken.
5. Vragen die leiden tot oordeel: Welke producten kunnen we met elkaar mengen?

Vervolgens leg je de leerlingen de eerdergenoemde opdracht uit. Je wijst de leerlingen erop dat het niet om de kleur van het fruit gaat, maar om het gevoel.

Productie
De leerlingen maken het verf met de meegebrachte producten. Dit werkproces is experimenteren. De leerlingen ontdekken zelf wat zij met elkaar kunnen vermengen om zo dichtmogelijk bij het gevoel van het fruit in de buurt te komen. Je geeft vervolgens alle leerlingen de zes fruitsoorten en een schaaltje. De leerlingen moeten deze zes fruitsoorten op het schaaltje neerleggen, zoals zij dit zelf willen. Vervolgens schilderen de leerlingen dit schaaltje met fruit na. De leerlingen moeten hierbij zorgen voor een ordening op het blad. Door alle leerlingen een eigen schaal met fruit te geven zorg je ervoor dat iedere uitvoering van de opdracht uniek is.

Tijdens deze productiefase beleid je als leerkracht de leerlingen. Je kunt de leerlingen bij een aantal onderdelen begeleiden:
- Je laat de leerlingen tijdens het maken van het verf goed voelen aan het fruit.
- Je wijst de leerlingen erop dat zij hun verf kunnen testen op een leeg blad.
- Je begeleid de leerlingen in het doseren van het water, zodra zij producten met water mengen.
- Je laat de leerlingen verven met één soort kwast, zodat de focus op de structuur van het verf komt te liggen.
- Je wijst de leerlingen erop dat zij hun kwast goed moeten afwegen aan de rand van het bakje, zodat het niet te waterig wordt.

Deze opdracht vergt de nodige tijd en begeleiding. Voor deze opdracht moet een uur worden uitgetrokken.

Reflectie
Tijdens de reflectieve fase wordt het werk van de leerlingen nabesproken. Er wordt gekeken naar de verschillen en de overeenkomsten in het werk. De leerlingen kunnen vertellen welke producten zij met elkaar hebben vermengd en waarom zij hebben gekozen voor een bepaalde verf bij een bepaalde fruitsoort.
Om de opdracht te beoordelen kan gebruik worden gemaakt van onderstaande beoordelingsmatrix.

Beoordelingsmatrix

 
Niet aanwezig (0 pt)
Twijfel (1 pt)
Duidelijk aanwezig (2 pt)
6 soorten verf met verschillende structuur
 
 
 
De structuur van het verf past bij de structuur van het fruit
 
 
 
Het schilderij is één geheel
 
 
 
Alle 6 de fruitsoorten zijn afgebeeld
 
 
 

De leerlingen gaan tijdens deze opdracht vooral zelf aan de slag met experimenteren. Als leidraad hebben wij bij elk fruitsoort een verfstructuur bedacht. Het kan natuurlijk voorkomen dat leerlingen een ander soort verf maken, die ook aan het gevoel van het fruit voldoet:
- Ananas = gecondenseerde melk + rozemarijn naaldjes
- Kiwi = kerriepoeder + water
- Appel = ketchup + water
- Perzik = gecondenseerde melk + stofjes
- Peer = gecondenseerde melk + zand
- Aardbei = gecondenseerde melk + sesamzaadjes

woensdag 6 april 2016

Les 8: Beeldend vermogen

In de achtste les beeldende vorming stond het beeldend vermogen van kinderen en de verschillende fasen die hierbij worden doorlopen centraal.

Beeldend vermogen
Het beeldend vermogen is het vermogen om jezelf uit te kunnen drukken met beelden. Dit verloopt officieel volgens vier fasen. Tijdens onze les beeldende vorming hebben wij aandacht besteed aan de eerste drie fasen:
1. Krabbelen
2. Gecodeerde werkelijkheid
3. Zichtbare werkelijkheid

Tijdens deze les hebben we in groepjes het beeldend vermogen van leerlingen uit het basisonderwijs bekeken.

Tekening 1:
Groep 1 - 4 jaar - Meisje
Fase = 1 - 2a: Het kind maakt gebruik van veel kleurgebruik. Dit kleurgebruik is echter niet bewust, wat verwijst naar fase 1. Het kind heeft de vormen willekeurig op het vlak geplaatst (interpretatie; de zon staat onder de regenboog). Het kind heeft ook duidelijk gecodeerd. Dit kun je terug zien aan de ronde zon, met een gezichtje erin, en de zonnestralen die als strepen zijn getekend. Een kind van deze leeftijd hoort zich te bevinden in deze fase.

Tekening 2:
Groep 2 - 5 jaar - Meisje
Fase = 2a - 2b: Het kind heeft een kop-buik-poter getekend, wat verwijst naar fase 2a. Daarnaast heeft het kind een ordening in de tekening aangebracht door een bovenkant en een onderkant te tekenen. De bovenkant is de blauwe lucht en de onderkant is het groene gras. Hierbij heeft het kind gebruik gemaakt van schematisch kleurgebruik. Dit verwijst naar fase 2b. Aan de voeten is te zien dat het kind ook gebruik gemaakt van omklapping, wat verwijst naar fase 2 in zijn geheel. Een kind van deze leeftijd hoort zich te bevinden in deze fase. Het kind ontwikkeld zich van fase 2a naar fase 2b.

Tekening 3:
Groep 3 - 6 jaar - Jongen
Fase = 2a - 2b: Het kind heeft een ordening gemaakt door gras aan de onderkant te tekenen en de zon hoog boven in het vlak. Het kind heeft het poppetje getekend middel een kop-buik-poter. Het kind heeft hierbij gebruik gemaakt van schematisch kleurgebruik; het lichaam is roze, het gras groen en de zon oranje. Een kind van deze leeftijd hoort zich te bevinden in deze fase. Het kind ontwikkeld zich van fase 2a naar fase 2b.

Tekening 4:
Groep 3 - 6 jaar - Jongen
Fase = 2a: Het kind tekent alleen waarin het geïnteresseerd is; bewegende dingen, zoals het mens en de hond. Het kind heeft geprobeerd om een ordening te maken aan de bovenkant met de blauwe lucht. Echter ontbreekt de onderkant. Daarnaast heeft het kind niet de werkelijkheid getekend. Zo heeft de boom handen, voeten en een gezicht. Een kind van deze leeftijd hoort zich eigenlijk verder ontwikkeld te hebben dan enkel fase 2a. Het kind zou zeker aspecten uit fase 2b moeten gebruiken.

Tekening 5:
Groep 6 - 9 jaar - Meisje
Fase = 2b: Het kind heeft gebruik gemaakt van schematisch kleurgebruik; groen gras, gele zon en blauwe wolken. De tekening is niet natuurgetrouw, zo mist er bijvoorbeeld schaduw. Ook heeft dit kind gebruik gemaakt van coderen. De zon, de wolken en de gras zijn gecodeerd weergegeven. In deze tekening wordt echter geen gebruik meer gemaakt van krassen. Een kind van deze leeftijd hoort zich te bevinden in fase 2a. Echter is het van belang dat het kind voldoende gestimuleerd en uitgedaagd wordt om zich te ontwikkelen. Het kind moet namelijk overgaan naar fase 3. Op dit moment zijn er nog geen aspecten van fase 3 terug te zien in het beeldend vermogen van dit kind.

Beeldaspecten
Na het beoordelen van het beeldend vermogen van de kinderen hebben wij in de tekeningen gezocht naar beeldaspecten. Hieronder hebben wij tags aangebracht in de tekeningen met het bijbehorende beeldaspect.



Lijnen
Krabbels
Gesloten (cirkel)vorm
Wanordelijke plaatsing




Eerste ordening
Grondlijn
Schemakleur(en)
Functionele kleuren
Haaks contrast
Kop(buik)poter
Omklapping
Objectkleur(en)
Wanordelijke plaatsing



Samengestelde vorm
Lijnen
Functionele kleuren
Gesloten (cirkel)vorm
Kop(buik)poter
Schemakleur(en)
Eerste ordening
Grondlijn



Eerste ordening
Gesloten (cirkel)vorm
Schemakleur(en)
Kop(buik)poter
Haaks contrast
Objectkleur(en)
Omklapping
Schemakleur(en)
Centraal compositie
Samengestelde vorm
Eerste ordening
Gesloten (cirkel)vorm
Grondlijn






Beeldende opdracht
Als afsluiting van deze les hebben wij de opdracht gekregen om bij één tekening een beeldende opdracht te bedenken. Deze beeldende opdracht moet aansluiten op het beeldend vermogen van het kind. Wij hebben gekozen voor tekening 5 (de tekening met de bloem). We hebben bij de beeldende opdracht gekozen voor de beeldaspecten; grootteverschil, horizon, ruimte en compositie

Beeldende opdracht: "Teken een bloemenveld waarin ik kan zien welke bloemen ver weg staan en welke dichtbij".






woensdag 30 maart 2016

Les 7: Beeldend probleem

In de zevende les beeldende vorming stond een beeldende opdracht centraal, waarbij je een oplossing moet zoeken voor een beeldend probleem.

Beeldend probleem bepalen
Een beeldend probleem bestaat uit twee onderdelen: een beeldend doel en een technisch doel. We begonnen deze les met een leeg A4'tje en houtskool. Vervolgens kregen we vier opdrachten:
1. Teken een kubus - Deze opdracht was zo eenvoudig, dat iedereen met een cliché beeld van een kubus kwam. Iedereen had zijn kubus naar rechts getekend.
Deze opdracht was geen beeldend probleem. Er zat geen beeldend doel en geen technisch doel aan deze opdracht verbonden.
2. Teken een kubus met behulp van een horizon en vluchtlijnen - Deze opdracht werd voorgedaan. Hierdoor zat er een technisch doel aan de opdracht verbonden. Echter zat er geen beeldend doel aan de opdracht verbonden, omdat de opdracht uitsluitend bleef bij nadoen. Om deze reden is deze opdracht geen beeldend probleem.
3. Teken een blije kubus - Deze opdracht heeft een beeldend doel. We mochten zelf bedenken hoe een blije kubus eruit ziet. Deze opdracht had echter geen technisch doel en is daardoor geen beeldend probleem.
4. Teken een kubus, waarbij de kubus nerveus overkomt door de lijnen - Dit is een beeldend probleem. Deze opdracht bevat zowel een beeldend doel als een technisch doel.

Ontwerpproces met klei
Na de tekenopdrachten kregen we een nieuwe opdracht: Boetseer uit een grote bol chamotte-klei een mensfiguur waarvan de verhoudingen kloppen en waarbij een expressie zichtbaar is aan de houding.

Bij deze opdracht stonden een aantal doelen centraal:
Boetseren uit één geheel, textuur aanbrengen, het maken van een mensfiguur, expressie weergeven in 3D en het mensfiguur in verhouding maken.

Ik heb gekozen voor een mensfiguur dat nonchalant is. Dit nonchalansme is  terug te zien in de houding van het mensfiguur. Het mensfiguur staat met zijn handen in zijn zakken, een beetje door zijn knieën gebogen en met zijn hoofd omhoog.









Deze opdracht is een beeldend probleem. Het beeldende doel van deze opdracht is het weergeven van expressie in 3D. Het technische doel van deze opdracht is het boetseren van een mensfiguur uit één geheel.

Les 6: Ontwikkelingsfasen & beeldbeschouwing

In de zesde les beeldende vorming stonden de vijf ontwikkelingsfasen uit de theorie van Parsons en de vijf typen vragen om een beeld te beschouwen centraal.

Parsons
De vijf ontwikkelingsfasen van beeldbeschouwing komen voort uit de theorie van Parsons. Volgens Parsons hangt de manier waarop je een beeld beschouwd samen met je intellectualiteit. Je doorloopt alle ontwikkelingsfasen in volgorde:

Fase 1 = Favoritisme: De beschouwer vindt het beeld mooi of leuk, omdat het aansluit bij de belevingswereld.
Fase 2a = Ambachtelijk: De beschouwer kan zijn aandacht langer bij het beeld houden en herkent hoofdkenmerken in het beeld. Zolang er herkenning is, wordt abstracte kunst leuk gevonden.
Fase 2b = Ambachtelijk: De beschouwer kan meer herkennen dan de basisvormen. De beschouwer kijkt in deze fase ook naar details. Zolang het beeld natuurgetrouw is, wordt het leuk gevonden.
Fase 3 = Expressiviteit: De beschouwer accepteert dat het beeld niet meer volledig natuurgetrouw is. De beschouwer kan zich inleven in het beeld en begrijpt dat iedereen een andere betekenis aan het beeld kan geven.
Fase 4 = Formalisme: De beschouwer is gericht op de stijl van het beeld, de beeldaspecten. De beschouwer kan een esthetische ervaring hebben.
Fase 5 = Open mind: De beschouwer beseft dat de betekenis van het beeld afhangt van de context.

Beeldbeschouwing
We kregen tijdens deze les de opdracht om in tweetallen een beeld uit een bepaalde beeldcultuur te kiezen. Vervolgens hebben wij door middel van tags vragen aan het beeld gekoppeld. Hierbij hebben wij gebruik gemaakt alle vijf de type vragen: startvraag, onderzoeksvragen, analysevragen, speculatieve vragen en vragen die leiden tot een oordeel. Door middel van deze vragen kun je een beeld beschouwen.

Wij hebben gekozen voor een beeld dat past bij kinderen met de leeftijd van 5 á 6 jaar oud. Dit beeld valt binnen ontwikkelingsfasen 2a en 2b; zolang er herkenning is en het beeld natuurgetrouw is, is kunst leuk.
Het beeld geeft een circus weer. Op het beeld zijn verschillende aspecten van een circus te zien. Dit zorgt ervoor dat kinderen veel herkenbare aspecten in het beeld kunnen vinden.



Beeldbeschouwingsvragen
Via deze link vind je het beeld met de tags waarin de vragen staan beschreven: https://www.thinglink.com/scene/767087013848416257

Nummer 1 = Startvraag
Nummer 2 = Startvraag
Nummer 3 = Onderzoeksvraag
Nummer 4 = Analyse vraag
Nummer 5 = Analyse vraag
Nummer 8 = Analyse vraag
Nummer 9 = Analyse vraag
Nummer 6 = Speculatieve vraag
Nummer 7 = Vraag die leidt tot oordeel

Zoals je kunt zien loopt de nummering niet geheel synchroon. Dit komt doordat wij onze tags naar aanleiding van feedback hebben uitgebreid.

Verwachte antwoorden
Hieronder kun je lezen welke antwoorden wij van de leerlingen verwachten op de beeldbeschouwingsvragen.

1a.
1b.
1c.
Een olifant
Ja
In een dierentuin / In een circus
2a.
2b.
2c.
Apen
Ja
In een dierentuin / In een circus
3.
Er staan allemaal hoge gebouwen
Er is een autoweg
4.
Hij wil een dier (slang) uit de mand laten komen
5.
Hij heeft een rode neus
Hij fietst op één wiel
8.
Anders kan iedereen zomaar naar binnen
9.
Een ballon / een handje
6.
Alle dieren ontsnappen
Iedereen kan het circus in
De dieren maken de stad vies
7.
In het circus





vrijdag 11 maart 2016

Les 5: Beeldaspecten

In de vijfde les beeldende vorming stonden de verschillende categorieën van beeldaspecten centraal.


Beeldaspecten
Beeldaspecten zijn zichtbare vormgevingskenmerken die aan beelden te onderscheiden zijn. Vaak worden beeldaspecten bewust ingezet om inhoud te geven aan het beeld. Je kunt beeldaspecten indelen in een aantal categorieën: licht, ruimte, lijn, vorm, kleur, compositie en textuur.

Voor de opdracht kreeg iedere student twee afbeeldingen uit allerlei kinderfilms en twee verschillende beeldaspecten. Het doel van deze opdracht was om het juiste beeldaspect bij jouw afbeeldingen te zoeken. In sommige afbeeldingen waren meerdere beeldaspecten te herkennen, echter moest je het beeldaspect vinden dat centraal stond in de afbeelding. Ik kende niet alle beeldaspecten, waardoor ik de omschrijving van een aantal beeldaspecten moest opzoeken. Door middel van deze opdracht heb ik een kennis kunnen maken met een aantal beeldaspecten. Tijdens het nabespreken is ons ook uitgelegd hoe we het beeldaspect in de afbeelding konden herkennen.

Afbeeldingen met bijbehorend
beeldaspect



Zelfportret
Na de kennismaking met de vele verschillende soorten beeldaspecten kregen we de keuze uit twee opdrachten. Ik heb gekozen voor het maken van een zelfportret, waarin een overdreven expressie in terug te zien is. Het moest een abstract beeld worden.  Dit heb ik gemaakt met de applicatie PStouch. Het werkproces bij deze opdracht was experimenteren. Na het maken van een 'selfie' ben ik enkel bezig geweest met experimenteren in de applicatie.  Ik heb geëxperimenteerd met een aantal mogelijkheden van de applicatie; stempel brush/source, color balance, directional blur en blur tool. De applicatie heeft het technische doel van deze les ingevuld. Het beeldende doel van deze les is ingevuld door het uitdrukken van een expressie. Hierin waren wij volledig vrij.

Zelfportret 'verward'
Ik heb gekozen voor de expressie 'verward'. Ik heb deze expressie willen overbrengen door de vele wazige ogen in het zelfportret. Als ik verward ben frons ik mijn wenkbrauwen en kijk ik vluchtig om mij heen. Je kunt in en aan mijn ogen zien dat ik verward ben. Vervolgens heb ik het beeld nog verdraaid, zodat de expressie verward sterker overkwam. Iemand die verward is ziet niet meer alles helder, net zoals in dit zelfportret. Het felle licht zorgt ervoor dat het zelfportret vager wordt. De beeldaspecten die een grote rol spelen in mijn zelfportret zijn licht, vorm en kleur.



maandag 7 maart 2016

Les 4: Beeldcultuur

In de vierde les beeldende vorming stonden de drie perioden in de beeldcultuur centraal. Hierin hebben wij de symboliek van een klassiek beeld beschouwd door middel van een podcast.

Drie perioden
Binnen de beeldcultuur kun je drie perioden onderscheiden:
1. De klassieke periode (tot 1860)
2. De moderne periode (tot 1960)
3. De postmoderne periode (heden)
De klas was verdeeld in drie groepen. Iedere groep stond voor één periode uit de beeldcultuur. We kregen een aantal afbeeldingen. Samen moesten we bepalen welke afbeeldingen bij welke periode horen. Ons groepje was verantwoordelijk voor de moderne periode.



Moderne periode
Postmoderne periode
Klassieke periode













Podcast
In tweetallen moesten we op zoek naar een klassiek beeld waarin symboliek centraal stond. Wij hebben gekozen voor het schilderij 'Het aardse paradijs met de zondeval van Adam en Eva' van Jan Brueghel de Oude & Peter Paul Rubens.

Bekijk de podcast hieronder:

Of via deze link:
https://www.dropbox.com/s/li0pb3tijvj0zsc/Adam%20en%20Eva.mp4?dl=0

Voor het maken van de podcast hebben wij gebruik gemaakt van de applicatie 'Explain Everything'. Voorafgaand aan de het maken van de podcast hebben wij eerst een script geschreven. Hieronder kun je het script bij de podcast lezen:

Het aardse paradijs met de zondeval van Adam en Eva is een schilderij waaraan Peter Paul Rubens en Jan Brueghel de Oude rond 1617 samen hebben gewerkt. Het maakt deel uit van de collectie van het Mauritshuis in Den Haag.

Aan de linkerkant van het schilderij nemen Adam en Eva een belangrijke plaats in. Zij staan onder de boom van de kennis van goed en kwaad. De boom van de kennis van goed en kwaad is een boom die samen met de levensboom voorkomt in het bijbelboek Genesis. De boom staat in het midden van de Hof van Eden, waar Adam en Eva gedurende hun eerste periode op aarde verblijven. Iedereen was welkom in deze tuin en daarom zie je in dit schilderij ook zoveel dieren.
God vertelde Adam en Eva : ‘Van alle bomen in de tuin mag je eten, maar niet van de boom van de kennis van goed en kwaad; wanneer je daarvan eet, zul je onherroepelijk sterven.’

Op het schilderij zie je dat Eva toch een appel geeft aan Adam, met haar andere hand plukt ze nog een appel. Een aapje linksonder is al begonnen van een appel te eten, een symbool voor zonde. Boven Adams hoofd is echter ook een tros druiven te zien. Dit symbool verwijst naar de kruisigingsdood van Christus . Aan de overzijde van de beek staat de levensboom, ook boordevol vruchten en vogels.

Adam en Eva leefden gelukkig tot een slang Eva verleidde om van de verboden vrucht te eten. De slang is volgens de bijbel het listigste dier op aarde. Volgens christelijke interpretatie de vermomde satan. De slang wijst Eva op de vruchten aan de boom der kennis. Ondanks het verbod om de vruchten te eten, geeft ze Adam een appel. En neemt er zelf ook een. Vanaf dit moment is er sprake van de zondeval. Ze werden zich vanaf dat moment onmiddellijk bewust van hun naaktheid en gingen zich ervoor schamen. Vanaf nu leerden de mensen het verschil tussen goed en kwaad.
 






woensdag 2 maart 2016

Les 3: Werkprocessen #2

In de derde les beeldende vorming stond het maken van een animatie door middel van stop-motion centraal.

Beeldcultuur
De les begon met voorbeelden uit de beeldcultuur. We kregen een fragment te zien uit de animatiefilm "Cars". Hier hebben we kunnen zien dat er drie camerastandpunten worden gebruikt, namelijk een zijaanzicht, een bovenaanzicht en een vooraanzicht. Door gebruik te maken van deze camerastandpunten en hierin te wisselen, kun je je animatie spannend en snel maken. Tevens hebben we kunnen zien dat je niet perse de objecten hoeft te bewegen, maar dat je ook de achtergrond kunt laten bewegen om zo tot je doel te komen.

Vervolgens hebben we de opdracht gekregen om in een groepje van vier studenten met de twee racemonsters uit de vorige les een animatie te maken door middel van stop-motion. De animatie was een racewedstrijd tussen de twee racemonsters, waarbij er strijdt is en er een spetterende crash plaatsvindt.

Storyboard
Voordat we aan de slag gingen met het maken van de animatie door middel van stop-motion hebben we eerst een storyboard gemaakt. Van te voren hebben we het verhaal bedacht. Dit werkproces heet ontwerpen. Tijdens het ontwerpproces hebben wij nagedacht over verschillende verhaallijnen. Uiteindelijk hebben wij de verhaallijn gekozen waarbij wij extra attributen konden maken voor het decor. Om het decor van de racewedstrijd aan te kleden hebben wij extra attributen zoals een cactus en een rost geboetseerd. Het beeldende doel van de opdracht kwam tot uiting tijdens dit ontwerpproces. Het beeldende doel van de opdracht is het laten zien van een strijd tussen twee racemonsters en een spetterende crash. Zowel de strijd als de crash hebben wij tijdens het ontwerpproces uitgedacht.

Storybord

Stop-motion
Voordat we aan de slag konden met het maken van de animatie door middel van stop-motion, moest de techniek worden voorbereid. Voor de achtergrond hebben we gebruik gemaakt van een groen kleed. Dit groene kleed hebben we vastgemaakt aan een gekantelde tafel. Het groene kleed zorgt ervoor dat je elke gewenste achtergrond kunt inzetten. Vervolgens hebben we de iPad klaar gezet op de applicatie "Stop-motion". Het maken van een stop-motion is een ambachtelijk werkproces. Het technische doel van de opdracht kwam bij het maken van de stop-motion tot uiting. We moesten namelijk werken met technische apparaten, zoals de iPad en applicaties.




De wedstrijd
De twee racemonsters nemen het tegen elkaar op in de woestijn. Het gaat gelijk op. De racemonsters laten elkaar niet los. Maar dan gaat het mis... één van racemonsters, "De bulldozer", raakt een rotsblok die hij over het hoofd had gezien. Een grote crash vindt plaats. Op het moment dat iedereen denkt dat het een gewonnen race is, komt daar het enige intacte overgebleven onderdeel van het racemonster. Het wiel van het racemonster zorgt ervoor dat de bulldozer alsnog met de overwinning naar huis gaat.

Bekijk de volledige wedstrijd hier:

Of hier:
https://www.dropbox.com/s/7z1ekxxub9fcv54/Bestand%2018-02-16%2019%2042%2041.mov?dl=0

Beoordeling
Beoordelingsmatrix
Criteria
Niet zichtbaar
Twijfel
Briljant
2 voertuigen & decor
 
 
2 punten
Snelheid
 
1 punt
 
Strijd 
 
1 punt
 
Crash
 
 
2 punten
Verhaal (plot)
 
 
2 punten
Totaal: 8 punten

In de animatie is terug te zien dat wij gebruik hebben gemaakt van twee racemonster en een woestijndecor. De snelheid is op een aantal momenten goed te zien (zijaanzicht) en sommige momenten minder goed te zien (vooraanzicht). De crash is goed te zien. Het verhaal en het uiteindelijke plot zijn niet voorspelbaar.